29. Nellie is Nellie

Nellie is een meisje dat met haar snoet in de zon ligt. Het tipje van haar neus wiebelt van geur naar geur. Haar tanden gaan schuil onder gouden lippen. Het daglicht flikkert in het bruin van haar ogen. Ogen die, als je goed kijkt, dezelfde zijn als toen Nellie nog een verlegen pup was. Alleen weten ze nu meer, wat hen akelig menselijk maakt.

Haar satelieten van oren keren met het getsjilp van een merel en een woord van Fee die enkel blaft wanneer ze denkt dat er geen mensen zijn.

Wie Nellie’s glanzende vacht ziet, zou niet zeggen dat ze altijd in een kennel heeft geleefd. Als de zon het hoogste staat, ruikt ze haar vrienden voordat ze hen ziet. Nellie staat op, rekt zich uit en danst op haar tenen als ze allebei bij haar komen.

De kennel is plots veel kleiner, maar dat geeft niet. De mannen gaan op de grond zitten. Nellie proeft hun kin en zegt dat ze blij is hen te zien.

Uiteindelijk doet ze wat ze altijd doet als niemand de keuze voor haar maakt. Dicht tegen Simon gaat ze zitten. Daar voelt ze zijn hartslag. Dat herinnert Nellie aan iets, maar ze weet niet aan wat.

Nellie, Simon en Rudi turen naar het blauw tussen de tralies, tot Nellie zich half op Simons schoot nestelt.

Een teken van dominantie, komt uit gewoonte bij Rudi op. Maar in Nellie’s zacht knipperende ogen ziet hij rust, en hij glimlacht bij het stille vertrouwen dat Simon uitstraalt.

De tennisballen die Rudi hier achterliet, liggen nu verspreid. Aan het hertengewei is geknaagd.

‘Denkt ge dat we haar gaan kunnen veranderen?’ vraagt Simon. Zijn vingers spelen met de haren van Nellie’s hals.

Rudi fronst. ‘Hebt ge dat dan ooit geprobeerd?’

Simons vingers liggen nu stil op de warme vacht. Hij schudt zijn hoofd: ‘Nee. Ik niet. Voor mij is Nellie gewoon Nellie.’

‘Ik denk,’ zegt Rudi, ‘dat als een hond zo vaak blootgesteld is geweest aan geweld, en als ze zo lang alleen is geweest dat er iets in haar altijd een beetje alleen zal zijn, dat we dan altijd voorzichtig zullen moeten zijn. Maar ik denk ook dat Nellie ons met de tijd zelf wel zal tonen wat kan.’

Getroffen door zijn eigen woorden, wendt Rudi zijn gezicht af. Kwetsbaar is hij, de man met alle ervaring, die oog in oog staat met datgene dat hij altijd wel wist, maar wat te moeilijk was om in te zien. Dat alle honden die hier komen en gaan, eigenlijk kinderlijke wezens zijn. Ze zijn verward, bang, eenzaam, zoekend… Tegelijk zijn ze ook liefhebbend, dankbaar, een beetje gek soms.

Ze zijn allemaal uniek, met hun eigen cocktail van genen en ervaringen die in hun ogen weerspiegelt. En toch hebben ze iets fundamenteels gemeen.

De nood aan graag gezien te worden.

De nood aan thuis te komen.

De nood aan gehoord te worden.

Lees hier op kerstdag het laatste deel van Nellie, de hond die niet wist hoe hond te zijn.

%d bloggers like this: